In
de Nederlandse wetgeving is het besef van het maatschappelijk belang van relevante
arbeid voor iedereen verankerd. Het is in 2 artikelen van onze Nederlandse
Grondwet vastgelegd:
Art. 20, lid 1: De bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerp van zorg der overheid.
Art, 19, lid 3: Het recht van iedere Nederlander op vrije keuze van arbeid wordt erkend, behoudens de beperkingen bij of krachtens de wet gesteld.De praktijk anno 2012 laat zien dat dit niet afdoende is voor de bescherming van dit klaarblijkelijk groot maatschappelijk belang, gezien de problemen waarmee de huidige arbeidsmarkt kampt. Vele Zuiderlingen zijn (ondanks genoemde grondrechten) niet aan de slag en delen dus in mindere mate in de welvaart zoals in art. 20 Grondwet gesteld. Binnen ons land neemt Zuid-Limburg zelfs een negatieve plaats in: de groep goed (dus niet alleen hoog) opgeleid 45+ die langs de kant staat, is er groter dan in de rest van het land. Gelijktijdig staan werkgevers anno 2012 te schreeuwen om gekwalificeerd personeel. Als klap op de vuurpijl is het aantal (startende) ondernemers in deze regio het laagst van het land. De van origine Kerkraadse filosoof Frans Geraedts verklaart het ontbreken van voldoende ondernemerschap historisch door gekrenkte trots, veroorzaakt door het gelijktijdig sluiten van de mijnen vanaf 1967 en de invoering van de Mammoetwet in 1968 (waardoor de vlucht richting Randstad een aanvang neemt: een generatie ondernemende en goed opgeleide mensen vertrok en bleef weg).
Een ander argument, dat overigens zelden
in stelling wordt gebracht, is dat de samenleving een zorgplicht heeft voor
ieders geestelijk welzijn dus ook van werkzoekenden. Uit onderzoek blijkt dat
een op de vier langdurig werkzoekenden een depressie ontwikkelt. Er vindt
uiteraard symptoombestrijding plaats, er is echter geen instantie die zich
committeert aan de samenhang tussen arbeid en geestelijk welzijn en daarop
inspeelt. Ten slotte is er een politiek element in de huidige
arbeidsmarktproblematiek. De Duitse psycholoog Erich Fromm onderzocht reeds
eind jaren ’30 de samenhang van werkloosheid en politieke voorkeur. Hij
concludeerde dat onze moderne samenleving weliswaar het individu vrijheid
verschafte, maar als diezelfde samenleving geen (economische) basis biedt voor
het verwezenlijken van ieders individualiteit, deze vrijheid tot last wordt.
Dit leidt tot vluchtgedrag, met gevolgen die we ook in het huidige wispelturige
Nederlandse politieke landschap zien.
De overheid die volgens de grondwet
regulerend moet optreden om het maatschappelijk belang van arbeid voor iedereen
te waarborgen, doet dat vooral in de geest van de bijzin van art. 19 Grondwet: regels
en kaders stellen waar instellingen als UWV, gemeentelijke sociale diensten en
fiscus handenvol controlerend werk aan hebben. Echter: de groep werkzoekend 45+
in het Zuiden wordt daar niet kleiner door.
Integendeel: diezelfde regelgeving werkt belemmerend doordat arbeid in
toenemende mate flexibel wordt en hybride vormen ontstaan die door de huidige wettelijke
kaders nauwelijks worden ondersteund.
Het lijkt dan ook tijd om onze grondwet weer
eens serieus te nemen: de vrije keuze van arbeid zoals in art. 19 Grondwet
gesteld, moet gefaciliteerd worden. Dit kan door daadwerkelijk vormen van (hybride)
ondernemer-/werknemerschap actief te (gaan) ondersteunen. Dit houdt in de
praktijk ook een opdracht in aan het adres van de beide uitvoerders van onze
flexibeler wordende arbeidsmarkt. Ik doel op de intercedent als vertegenwoordiger
van de werkzoekende en de recruiter als representant van de werkgever. Hier
gaat het, onder het in eerste instantie geruststellende mom van neutraliteit, effectiviteit
en opdrachtgeversbelang, vaak mis. Zolang werkgevers te goeder trouw stellen
dat ze iedereen een gelijke kans geven maar uitvoerders het in de individuele praktijk
(al dan niet onbewust) op een akkoordje gooien, komen we tot het ontstellende cumulatieve
resultaat zoals we dat nu zien: 52% van de langdurig werkzoekenden is 45+,
tendens stijgend. Dit cijfer geeft aanleiding om eens serieus te kijken naar de
mate van duurzaamheid bij arbeidsbemiddeling. Wellicht wordt het, analoog aan
MVO – maatschappelijk verantwoord ondernemen -, tijd voor MVB: maatschappelijk
verantwoord bemiddelen
Kortom:
maak vrij kiezen voor werk (weer) mogelijk en wel voor iedereen, zoals dat ook
in onze Grondwet nadrukkelijk staat. Ondersteun hybride arbeidsvormen en
belemmer ze niet. De Wet Werken naar Vermogen die in 2013 ingaat, lijkt in die
zin een soort overgangsregeling te bieden met het daar opgenomen instrument
loondispensatie. Naar verwachting zal dit niet voldoende blijken: alleen al de
hoogte van de verwachte toeloop vanuit bijvoorbeeld
de WSW kan in het Zuiden dramatische gevolgen hebben omdat de flexibele
werkvormen die bij toepassing van loondispensatie nodig zijn, zoals hiervoor
gesteld niet of nauwelijks aanwezig zijn. Verder gaat ook deze maatregel weer
gepaard met een toename van controle en minder aandacht voor de daadwerkelijke
ondersteuning. Het derde en vierde kwartaal van 2013 zullen de gevolgen
zichtbaar worden.
Ter
afsluiting: de consequentie van de richting die onze samenleving en haar
arbeidsmarkt is ingeslagen, is dat we met zijn allen weer moeten nadenken over
het begrip bestaanszekerheid. Een nieuwe invulling van het eerste lid van art.
20 Grondwet lijkt dringend noodzakelijk. Wellicht onderwerp voor een volgende
blog.
1 opmerking:
Sylvoa Corsten attendeerde mij ook op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens:
Artikel 22
Een ieder heeft als lid van de gemeenschap recht op maatschappelijke zekerheid en heeft er aanspraak op, dat door middel van nationale inspanning en internationale samenwerking, en overeenkomstig de organisatie en de hulpbronnen van de betreffende Staat, de economische, sociale en culturele rechten, die onmisbaar zijn voor zijn waardigheid en voor de vrije ontplooiing van zijn persoonlijkheid, verwezenlijkt worden.
Een reactie posten